In een tijd waarin de maatschappelijke samenhang steeds brozer lijkt te worden, en waarin het omzien naar elkaar en het vertrouwen in onze instituties onder druk staan door toenemende polarisatie, groeit mijn behoefte om mensen uit te nodigen zich te verdiepen in fundamentele thema’s. Met deze tekst wil ik je uitdagen stil te staan bij de fundamenten van onze samenleving en kritisch te kijken naar je eigen positie daarin.
Kernvragen en Thematiek
Centraal in deze uitnodiging staan vier kernthema’s: de vorming van identiteit, het belang van basisbehoeften, het vermogen om vrijheid waar te nemen en gezamenlijke verantwoordelijkheid. Deze thema’s zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden en bepalen in grote mate hoe wij als individu en als gemeenschap functioneren.
De centrale vraag die ik wil stellen: wat betekent het om mens te zijn in deze tijd? Hoe verhouden wij ons tot anderen, tot de maatschappij als geheel, en welke drijfveren spelen hierbij een rol? Met dit schrijven deel ik niet alleen mijn persoonlijke zoektocht, maar nodig ik jou als lezer uit om vanuit een ander perspectief mee te kijken.
De illusie van gelijkwaardige kansen
Mijn eigen leven vormt het vertrekpunt van deze reflectie. Opgegroeid in een gezin waar multi-problematiek en een migratieachtergrond aan de orde waren, heb ik van jongs af ervaren hoe zowel interne als externe factoren invloed hebben op de vorming van identiteit. Familiepatronen, de directe verzorgers en de omgeving waarin je opgroeit, bepalen vaak in sterke mate de loop van ons leven. Het is een wijdverspreide mythe dat iedereen gelijke kansen heeft, of zou kunnen krijgen door een gelijk aanbod. Pas toen ik zelf de basis voor elkaar had om werkelijk tot ontplooiing te komen, en zeker nu vanuit mijn huidige situatie, besefte ik pas hoe groot deze illusie werkelijk is. In werkelijkheid blijven de meeste deuren namelijk gesloten wanneer je niet eens weet dat ze bestaan.
De intergenerationele overdracht van zaken als trauma, identiteit, persoonlijke, culturele of religieuze overtuigingen, waarden en normen, interne en externe vooroordelen, bestaansonzekerheid en maatschappelijke dissonantie kleuren hoe de wereld ons, wij onszelf en de wereld om ons heen waarnemen. Vanuit deze persoonlijke confrontatie met de illusie van gelijkwaardige kansen, ontstond mijn zoektocht naar de vraag wat het van ons als samenleving vraagt om echt gelijkwaardig te zijn.
De mens: Vrijheid, zelfontplooiing en randvoorwaarden
In mijn visie op de samenleving staat de mens centraal als fundament. Vrijheid wordt vaak gezien als het recht om zelfstandig je levenspad te kiezen, maar in werkelijkheid reikt het begrip vrijheid veel verder. Ware vrijheid is namelijk onlosmakelijk verbonden met de mogelijkheid tot zelfontplooiing en het kunnen dragen van de eigen verantwoordelijkheid die hierbij hoort. Pas wanneer iemand de voorwaarden bezit om de eigen verantwoordelijkheid te kunnen dragen, kunnen we spreken van bewuste (en dus echte keuze) vrijheid.
Vrijheid is dus niet enkel de afwezigheid van dwang, maar juist de aanwezigheid van de essentiële randvoorwaarden die het komen tot ontplooiing en bewuste keuzes mogelijk maken. Wie voortdurend in een overlevingsstand verkeert, kan de volledige breedte aan mogelijkheden helemaal niet overzien, laat staan daar bewust uit kiezen. Wanneer het dagelijks leven wordt beheerst door zorgen over basisbehoeften als voedsel, onderdak, sociale veiligheid en bestaansonzekerheid, blijft niet alleen zelfontplooiing maar ook de mogelijkheid voor een geheel overzicht en het hierbij horende lange termijn denken buiten bereik. In te veel gevallen is vrijheid hierdoor eigenlijk een voorrecht. Het vermogen om bewust te kiezen vereist dat aan onze basisbehoeften wordt voldaan. Als keuzes alleen kunnen worden gemaakt vanuit een gefragmenteerd perspectief, ontbreekt de ruimte om werkelijk richting te geven aan het eigen leven. Vrijheid krijgt pas betekenis wanneer de randvoorwaarden zijn vervuld en er erkenning is voor de eigenheid van het individu.
Hier rijst de vraag: is het rechtvaardig om hetzelfde bewustzijn of draagkracht van de eigen verantwoordelijkheid te verwachten, en zelfs eisen van mensen, wanneer dezelfde mensen niet in de hiervoor benodigde basisvoorwaarden worden voorzien? Door verwachtingen uit te spreken zonder deze noodzakelijke basis te faciliteren, houden we daarmee de cyclus van ongelijkheid (en de frustratie en/of machteloosheid omdat men hier niet aan kan voldoen) niet juist in stand. Hoe rechtvaardig is het om te oordelen over gemaakte keuzes en een beroep te doen op eigen verantwoordelijkheid? Het is daarbij van belang om te zoeken naar de juiste weg/balans om dit aan te vliegen: want hoe zorgen we ervoor dat het besef van deze ongelijkwaardigheid niet juist het stigma versterkt én niet juist de gelijkwaardige behandeling van het individu in de weg staat? Hoe zorgen we ervoor dat mensen niet als minder waardig worden behandeld of benadeeld waar het gaat over de gevoelige discussie die kan ontstaan rondom wilsbekwaamheid. Het vraagt om een sensitief, empathisch-kritische blik, het waarborgen van menswaardigheid, zonder de noodzaak voor gelijkwaardigheid uit het oog te verliezen.
Margretha du Carmo Krabbe
